
STADSKANAAL – Waar in andere Groningse gemeenten na de oorlog nauwelijks Joodse overlevenden waren, ligt dit in Stadskanaal opmerkelijk anders. Zo’n 27 procent van de Joodse inwoners overleefde de Duitse bezetting, blijkt uit onderzoek van de Rijksuniversiteit Groningen. Waar komt dit aanmerkelijke verschil vandaan? Een vraag waar de onderzoekers menigmaal hun hoofd over braken.
Stadskanaal was de laatste gemeente die werd onderzocht in het kader van een groter onderzoek naar de rol van gemeenten in het lot van de Joden en hun goederen. Onderzoekers Richard Paping, Koos Gräper en Daniël Broersma doken in bestaande archieven en andere bronnen om een zo compleet mogelijk beeld van de situatie te schetsen. Wat meteen opviel: het hogere overlevingspercentage. ‘We hebben extra tijd genomen om hier verklaringen voor te vinden’, vertelt historicus Richard Paping.
Mensen doken massaal onder
Van de 150 Joden die in 1942 in de toenmalige gemeente Onstwedde woonden, overleefden veertig de oorlog. ‘Dat wijkt af van het patroon dat we in andere gemeenten zagen’, vervolgt Paping. ‘In de meeste andere Groningse gemeenten waren er nauwelijks overlevenden. Dan spreek je over overlevingspercentages van tien procent of minder.’

De grote vraag is: waarom is dit in Stadskanaal relatief anders? Paping en zijn collega’s kwamen tot een aantal mogelijke verklaringen. ‘Allereerst doken mensen in Stadskanaal massaal onder’, constateert de historicus. ‘Een heleboel Joodse mannen die door de bezetter werden opgeroepen voor dwangarbeid, kwamen niet opdagen. In plaats daarvan doken ze onder.’
Paping benadrukt dat dit relatief vroege onderduikers waren. Samen met hun gezinnen verdwenen deze mannen al vóór de grootschalige deportaties van de radar. ‘Blijkbaar zijn ze zich bewust geweest van wat er stond te gebeuren’, denkt Paping. ‘Mijn conclusie is dus dat er in Stadskanaal en omstreken een veel grotere angst was voor wat ging komen, een terechte angst.’
Lokale inzet en ondersteuning
Een andere oorzaak is volgens Paping het feit dat relatief veel mensen lange tijd deportatie bespaard bleef. ‘In 1943 woonden er nog dertig Joden, onder wie drie jonge gezinnen, in Stadskanaal. Vaak hadden zij een medisch bewijs waardoor ze niet gedeporteerd hoefden te worden. Tien van deze dertig mensen overleefden uiteindelijk de oorlog.’ Volgens de onderzoekers had dit niet gekund zonder hulp van artsen, politie en andere inwoners. Ook het Knoalster Achterhuis wordt genoemd als voorbeeld van lokale ondersteuning en inzet, die ervoor zorgde dat veel onderduikers de oorlog overleefden.

NSB-wethouder en koper
‘En dat terwijl Stadskanaal helemaal niet zo anti-Duits was’, merkt Paping op. ‘De NSB-voorman namens Noord-Nederland, Jacob Maarsingh, woonde in Stadskanaal en er was vanaf 1943 een NSB-burgemeester: Toon Fransema.’ En dan was er nog een NSB-wethouder: Hendrik Linzel. Hij gold als de grootste koper van Joods vastgoed in Stadskanaal. Linzel kocht in totaal twee huizen aan de Oosterstraat, een perceel aan de Cereskade en een schuur aan de Schoolstraat. Hij hielp ook bij het leeghalen van de lokale synagoge en mocht een aantal goederen houden. Na de oorlog werd hij volgens velen ‘licht gestraft’: Linzel bracht uiteindelijk een jaar en zeven maanden in de cel door.
Gemeente kocht Joods perceel
Maar hoe zit het met de gemeente zelf? Die vraag staat centraal in het RUG-onderzoek. Er werd gekeken of de gemeente Joodse goederen of land heeft aangekocht en hoe de toenmalige gemeenten Onstwedde en Wildervank omgingen met teruggekeerde Joden. Volgens de onderzoekers is hierin weinig schokkends aan het licht gekomen. Wel kocht de gemeente in Onstwedde een stuk grond ter hoogte van de Jabbingelaan om woningen op te bouwen. Dit was eigendom van de toen ondergedoken gebroeders Simon en Mozes Meijer.
‘Daar ging wel een heel lang traject aan vooraf’, legt Paping uit. ‘Het duurde zó lang, het leek wel alsof de gemeente de grond helemaal niet wilde hebben.’ Het voornemen van de gemeente tot aankoop ontstond al in 1941, maar de grond werd pas in januari 1945 daadwerkelijk gekocht. ‘Dat is heel opvallend. Want dat was vlak voor het einde van de oorlog, toen al lang duidelijk was dat Duitsland zou verliezen.’

Na de oorlog werd het stuk land teruggegeven aan de familie Meijer. Maar dat de gemeente het perceel toch echt nodig had voor woningbouw, bleek wel in 1961. Toen kocht de gemeente het perceel alsnog, ditmaal rechtstreeks en vrijwillig van de broers Meijer
Naast dit perceel legde de gemeente ook een weg aan over grond die eigendom was van een Joodse familie. Na de oorlog, in 1953, kocht de gemeente dit stuk grond alsnog van de erfgenamen.
Weinig empathie voor overlevenden
Doordat relatief veel Knoalster Joden de oorlog overleefden, kon er na de oorlog weer een kleine Joodse gemeenschap terugkeren. Hoe ging de toenmalige gemeente om met deze mensen? ‘Je kunt niet zeggen dat er enorm rekening met hen werd gehouden’, concludeert historicus Paping. ‘Dat is typerend voor Nederlandse gemeenten vlak na de oorlog: alles moest volgens de regels. Er was weinig empathie voor de overlevenden. Die houding zien we ook terug in Stadskanaal.’
Burgemeester Klaas Sloots noemde het ‘een pijnlijk gedeelte van onze geschiedenis’, bij de presentatie van het rapport. ‘Het is een keuze van ieder mens een ander te helpen als het erop aankomt’, is de les die de burgemeester uit de bevindingen trekt.











