
VEENDAM – De sluiting van een huurwoning in de gemeente Veendam, nadat de politie er in 2022 cocaïne aantrof, blijft definitief in stand. Dat heeft de Raad van State afgelopen week bepaald in hoger beroep. Opvallend: de hoofdbewoonster van de woning werd door de strafrechter eerder vrijgesproken van het bezit van drugs, maar dat verandert volgens de hoogste bestuursrechter niets aan de rechtmatigheid van de sluiting.
De zaak gaat terug tot januari 2021, toen de politie in de woning bijna een kilo cocaïne en 11.000 euro contant geld aantrof. Dat geld en die drugs zouden door de broer van de bewoonster op de zolder zijn verstopt. De burgemeester van Veendam zag destijds af van een sluiting, maar gaf een officiële waarschuwing: bij een volgende drugsvondst zou hij wél ingrijpen. Ook werd met de verhuurder, woningcorporatie Acantus, een gedragsaanwijzing afgesproken die de broer de toegang tot de woning ontzegde.
In februari 2022 doorzocht de politie de woning opnieuw, in een onderzoek naar de broer. Daarbij werd in de slaapkamer van de inmiddels volwassen zoon een kleinere hoeveelheid cocaïne gevonden: 3,35 gram. Voor de burgemeester was dat aanleiding om de woning, conform het Damoclesbeleid van de gemeente, te sluiten. Vanwege de omstandigheden van het geval werd de duur van de aangekondigde sluiting teruggebracht van twaalf naar drie maanden.
Vrijspraak, toch sluiting
Moeder en zoon gingen in beroep en uiteindelijk in hoger beroep tegen de sluiting, onder meer omdat de moeder in 2024 door de strafrechter werd vrijgesproken van het opzettelijk aanwezig hebben van de cocaïne. Volgens hen kan een sluiting van de woning dan niet in stand blijven.
De Raad van State ziet dat anders. Een woningsluiting op grond van de Opiumwet is geen strafrechtelijke maatregel, maar een bestuursrechtelijke herstelmaatregel: de burgemeester hoeft niet vast te stellen wie schuldig is, alleen of er drugs zijn aangetroffen die voor verkoop bestemd waren. Dat de moeder strafrechtelijk niet kon worden veroordeeld, betekent dus niet dat de sluiting onterecht was. Wel mag van een hoofdbewoner verwacht worden dat zij toezicht houdt op wat er in haar woning gebeurt, zeker na een eerdere waarschuwing.
Ook de andere argumenten van moeder en zoon haalden het niet. Zo was er volgens de Raad van State geen sprake van onrechtmatig verkregen bewijs bij de doorzoeking, en was de sluiting niet onevenredig zwaar, ondanks dat het gezin daardoor zijn huurwoning verloor. De rechter wees erop dat er in de jaren ervoor meerdere, deels anonieme, meldingen waren binnengekomen over drugshandel rond de woning, met auto’s die kort stopten en kopers die per ongeluk bij buren aanbelden voor ‘handel’. Dat gaf de burgemeester voldoende grond om in te grijpen.
Met deze uitspraak staat vast dat de sluiting van de woning rechtmatig was; verder beroep is niet meer mogelijk. De zaak is daarmee voorbij, al duurde het in totaal ruim vier jaar voordat er definitieve duidelijkheid kwam.











