Direct naar de inhoud.

Een verrassende Sinterklaasavond

  • door:
  • op:

sinterklaas_Stadskanaaldoor Anton de Wijk

Een hele koude stormachtige noordoostenwind joeg door het grote bos. De takken van de bomen kraakten af en toe door de kracht van de wind.Donker was het in het bos, aardedonker, je kon haast geen hand voor ogen zien.

Af en toe gleed een bleek maantje achter de wolken vandaan die door de bomen glipte en een klein beetje licht gaf. Het was koud, steenkoud deze Sinterklaasavond. In het grote bos op deze stormachtige avond reed Sinterklaas op zijn witte schimmel voor zijn laatste bezoek.

Zwarte Piet hield de teugels stevig vast en leidde het paard voorzichtig over het bevroren pad. Het dier schrok af en toe als de wind een dode tak uit een boom rukte dat kletterend op de grond viel. Het was gevaarlijk in het bos, heel erg gevaarlijk. Sinterklaas klopte het paard zachtjes op de hals en fluisterde daarbij geruststellende woordjes in zijn oor. Hoe lang reden ze hier eigenlijk al? Sint had geen flauw idee, het leken wel uren. Ze waren op weg naar een klein huisje midden in het bos.

Zwarte Piet foeterde toen hij bijna struikelde over een afgewaaide tak. “Wat is het altijd rotweer in Nederland”, zei hij op klagende toon. “Als het niet stormt regent het wel, en als het niet regent”…. “Nou, nou Piet”, viel Sinterklaas

zijn knecht in de rede, “zo is het wel genoeg hoor. Hou nou maar eens op met dat gejammer want daar schieten we niks mee op. We moeten nog twee kleine meisjes bezoeken die al heel lang op ons zitten te wachten en zich zullen afvragen of we nog wel zullen komen. Volgens mij zijn we verdwaald Piet, en we moeten nu maar zorgen dat we de goede weg vinden.”

In het dorp had Sinterklaas gevraagd hoe ze het beste bij het huisje konden komen in het bos. De mensen in het dorp waren erg vriendelijk en behulpzaam en hadden Sinterklaas de weg gewezen. Bij het eerstvolgende bos, hadden ze gezegd, ziet u twee grote witte stenen, daar gaat u het pad op en dan komt u vanzelf bij het huisje van

Mariska en Natasja. Sinterklaas had geknikt en toen ze een eind op weg waren zagen ze inderdaad de twee grote witte stenen en waren daar het pad ingeslagen. Ze reden en reden, maar vonden het huisje in het donkere bos niet.

Nergens zagen ze licht. Of toch? Ineens was er een grote bundel wit licht die Sinterklaas en Zwarte Piet haast verblindde. Hoe kon dat nou, ze waren toch nog in het bos? Ze waren gevangen in de koplampen van een auto. De auto remde, reed achteruit en kwam hun even later op het pad tegemoet. Er stapten twee mannen uit, Sinterklaas zag dat het twee politieagenten waren. “Sinterklaas”, zei de ene agent, “wat doet u hier nog zo laat in het grote donkere bos?” “We moeten nog twee kindertjes bezoeken, maar we denken dat we verdwaald zijn”, antwoordde de Sint. “Weet u Sinterklaas, we reden op de weg en net in de bocht zagen wij u in het licht van onze auto. Goed dat wij u zagen want u moet wel heel erg koud zijn”, zei agent Stevens.

“Het is geen pretje nu met dit weer”, antwoordde Sinterklaas, maar het ergst van alles is dat er nog twee kleine meisjes op ons zitten te wachten, wie weet hoe lang al. “Waar moet u zijn Sinterklaas, vroeg de andere agent.

“Op Bospad nummer 2, bij Mariska en Natasja”, zei Zwarte Piet die het adres in het grote boek bij het licht van de autolampen had opgezocht. De beide agenten keken elkaar aan. Agent Strating, de andere politieman, schraapte zijn keel. “Nou Sinterklaas”, zei hij, “dat is niet zo mooi, want dat is nog een heel eind. U bent het verkeerde pad ingeslagen en bent in een grote kring om het bos gereden. “Hoe kan dat nou”, zei Sinterklaas vertwijfeld, “de mensen in het dorp zeiden dat we bij twee witte stenen het pad moesten inslaan.” “Dat klopt ook wel”, vervolgde Strating, “maar weet u Sinterklaas, dit heet Bosweg en voor veel mensen in het dorp is weg en pad voor hun hetzelfde.

Zij weten de bewoners in het bos blindelings te vinden maar voor u is het een stuk moeilijker. Hebt u geen huis gezien, een tiental meters van het pad?” “Nee”, antwoordde Sinterklaas, “het was de hele tijd al aardedonker, wij hebben nergens licht of een huis gezien.” “Op Bosweg 2 woont de boswachter, maar dan zal die wel niet thuis zijn geweest want anders had u wel licht gezien. Zijn dochter woont in de stad en misschien vieren ze daar met hun kleinkinderen Sinterklaasavond.” “Daar kun je best gelijk in hebben agent, maar vertel eens hoe komen we nu bij Mariska en Nastasja?”

“Dat is niet zo eenvoudig”, zei agent Stevens nu op zijn beurt, want dat is nog een heel eind. Nog wel een uur rijden want het is helemaal in het andere bos.” Sinterklaas zat verslagen op zijn schimmel. Nog wel een uur tijden, dat kan toch niet. Dan kwamen ze veel te laat bij de meisjes die vol spanning al de hele avond op hem zaten te wachten. En dat met dit weer. Arme Sinterklaas, hij zat al bijna half bevroren op zijn schimmel. “We moeten haast maken en maatregelen treffen”, zei agent Strating, want we krijgen ook nog sneeuw.” “Sneeuw?”, riep Sinterklaas, “ook dat nog.”

“Hou toch eens op over sneeuw”, zei agent Stevens een tikkeltje boos, “dat roep je de hele dag al en ik heb nog geen vlokje gezien.” “Wacht maar af”, zei Strating, mijn wintertenen liegen niet.” “Sinterklaas”, zei agent Stevens weer, “we moeten nodig wat doen, de meisjes wachten op u en u zit zelf stijf van de kou op uw schimmel. Weet u wat we doen? We brengen u met de auto.” “Met de auto”, echode Sinterklaas, “hoe kan dat nou, de schimmel kan toch niet in de auto?” “Welnee Sint, maar ik heb een plan. Luistert u eens, een eindje verderop woont boer Brouwer. Brouwer heeft paarden en beschikt over een grote paardentrailer. Dat is een grote aanhanger waar je een paard in kunt vervoeren. We rijden daar naar toe en vragen de boer of wij de trailer mogen lenen voor Sinterklaas, voor zijn allerlaatste bezoekje.

We vertellen de boer hoe we u vonden en waar u nog naar toe moet. Brouwer vindt het dan vast wel goed dat wij de trailer van hem lenen.” “Denk je dat Stevens?”, vroeg Sinterklaas. “Natuurlijk wel”, antwoordde de politieagent, Brouwer is een vriendelijke man die dat beslist niet zal weigeren.” “Maar wacht eens even”, zei de Sint, “jullie rijden niet met de trailer helemaal tot aan het huisje hoor. Op ruime afstand blijven jullie staan, we halen dan de schimmel uit de trailer en Piet en ik rijden dan het laatste stukje naar het huisje. Spreken we dat af? Ik wil niet dat de meisjes zien dat we met de politie komen, dat geeft alleen maar onrust waar de kinderen erg van zouden kunnen schrikken. Begrijpen jullie dat?”

De beide agenten knikten. “U hebt gelijk Sinterklaas, hier hadden wij helemaal niet aan gedacht. Wat bent u toch een wijze man, u weet voor alles een oplossing te bedenken. Wacht u hier maar op ons Sinterklaas, we zijn zo terug.” De autoportieren klapten dicht en de agenten gingen op weg. Even later draaide de politieauto de brede oprijlaan op van de grote boerenhoeve. Net toen ze wilden uitstapten zwaaide de deur open kwam de boer hun al tegemoet. “Wat is dit op Sinterklaasavond”, vroeg Brouwer verwonderd, jullie brengen toch geen nare boodschap?” “Nee hoor Brouwer”, zei Strating, maar we hebben een probleem, althans Sinterklaas heeft een probleem want die is verdwaald en moet nog helemaal naar Bospad 2, u weet wel helemaal in het andere bos.

Omdat het al zo laat is, wilden wij u vragen of wij uw paardentrailer achter onze auto mogen koppelen om Sinterklaas met zijn witte schimmel zo gauw mogelijk naar het adres te brengen.” Brouwer knikte begrijpend. “Natuurlijk”, zei de boer, “dat is geen enkel probleem, koppel hem maar aan dan haal ik een warme deken voor de schimmel en een vork hooi en wat wortelen. Tsjonge”, zei de boer, “het is me wat met dit weer en er komt ook nog sneeuw.” “Hoor je dat Stevens”, riep agent Strating triomfantelijk, “dat roep ik de hele dag al maar je wilt niet luisteren.” “Goed Strating, voor mijn part valt er een halve meter sneeuw vannacht want dan ben ik van dat gezeur over sneeuw af”, zei Stevens met een diepe zucht. Ze bedankten de boer hartelijk en reden met de trailer het erf af.

Even later stopten ze opnieuw bij Sint en Piet, die de schimmel zachtjes in de grote aanhanger laadde waar het zich tegoed deed aan wortelen en hooi. Zwarte Piet klopte het trouwe dier op de flank en legde behoedzaam de meegebrachte warme deken over de rug van het paard.

De wind gierde om het kleine huisje midden in het bos. Binnen was het gezellig en warm. Moeder had een paar kaarsen aangestoken en Mariska en Natasja zaten aan de grote tafel te tekenen. Ze maakten een tekening voor Sinterklaas. Mariska tekende een grote boot, een stoomboot en uit één van de schoorstenen kwam een grote pluim rook. Natasja probeerde zo goed mogelijk Sinterklaas te tekenen. Maar dat was best moeilijk hoor. Vooral de grote mijter van de Sint. Dan was hij te hoog, dan weer te breed, maar ze deed haar uiterste best om de mijter zo mooi mogelijk te tekenen. Vader las de krant maar af en toe dwaalden z’n ogen naar zijn twee dochters. Z’n twee oogappels.

Vertederd zag hij hoe ze beiden ingespannen bezig waren met hun tekening. Het licht van de grote lamp gleed speels over hun blonde kopjes. “Pap”, zei Mariska, “pap komt Sinterklaas nog wel?” “Natuurlijk wel meisje”, zei vader, “maar Sinterklaas heeft het erg druk en het waait nu zo hard buiten zodat het allemaal wat langer kan duren.” Vader staarde in het vuur van de warme kachel. Zijn gedachten dwaalden af naar zo’n twee maanden geleden. Hij kreeg een onbehaaglijk gevoel als hij daaraan terugdacht. Hij werkte bij een timmerman in het dorp maar op zekere dag hield de eigenaar een bijeenkomst voor het personeel en kwam met een nare mededeling.

Doordat de timmerman de zo oud was geworden dat hij niet meer hoefde te werken, wilde hij het bedrijf verkopen. Het stond al een tijdlang te koop, maar tot dusver hadden er zich geen kopers gemeld om het bedrijf over te nemen. Zijn kinderen wilden de timmermanszaak niet overnemen zodat het bedrijf noodgedwongen moest worden verkocht. Daardoor kwamen er zeven mensen zonder werk omdat ze werden ontslagen. En als er niet meer gewerkt wordt, komt er ook minder geld en kun je ook minder kopen. En daar maakten vader en moeder zich zorgen over.

Ook de kerstdagen stonden voor de deur en dat waren altijd dure dagen want moeder wilder toch ook wel graag wat extra lekkers in huis halen. De timmerman deed zijn uiterste best om de mensen die bij hem gewerkt hadden elders anders onder te brengen, maar dat was tot op heden nog niet gelukt. “Van Dijk”, had de baas tegen vader gezegd, “je bent een hele goede timmerman en ik ben ervan overtuigd dat je gauw weer ergens aan het werk komt. Voor de meisjes had vader eens een prachtige poppenhuis gemaakt, van stukjes afvalhout dat hij van de aannemer mee mocht nemen naar huis. Toen de baas eens langs kwam en het poppenhuis zag waar vader aan werkte, had hij volbewondering naar het mooie poppenhuis gekeken, en vader een compliment gemaakt hoe mooi het al was geworden. De volgende dag had de baas vader verrast door hem mooie dunne plankjes cederhout mee te geven waaruit meubeltjes konden worden gemaakt.

Moeder had gordijntjes genaaid en het poppenhuis was een lust voor het oog, vooral ’s avonds als ook nog eens de miniatuurlampjes brandden. Mariska en Natasja hadden hun ogen uitgekeken naar zoiets moois waar ze vrijwel dagelijks mee speelden. In het kleine huisje in het bos keken vader en moeder geregeld naar de voort tikkende klok en zagen dat het alsmaar later werd. Moeder schonk warme chocolademelk met slagroom en presenteerde daarbij een speculaasbrok. Heerlijk. Maar opeens was er gestommel en hoorde men het gehinnik van een paard boven de wind uit. Er waren stemmen en er werd op de deur geklopt. Mariska en Natasja keken op van hun tekening waar ze mee bezig waren. Ze kregen rode wangen van spanning toen vader opstond en zei dat Sinterklaas nu toch eindelijk was gekomen.

De meisjes drukten hun neusjes plat tegen het raam en zagen in het schijnsel van de buitenlamp de witte schimmel, terwijl Zwarte Piet bezig was Sinterklaas van het paard te helpen. Hun hartjes klopten vol spanning. Ze zagen hoe vader het paard bij de teugel nam en het naar de schuur leidde, zodat het dier niet in de gure wind hoefde te blijven wachten. Toen kwam de Sint de kamer binnen, zijn mijter reikte tot aan de zoldering zodat de Sint zich een beetje moest bukken. Groot en stoer vulde hij de kamer met zijn rode tabberd en zijn spierwitte baard. Zwarte Piet droeg de zak en onder zijn arm had hij het grote boek geklemd waarin alles opgeschreven werd. “Ga maar gauw zitten hoor, Sinterklaas en Zwarte Piet”, zei moeder bezorgd, “kijk de meisjes hebben de stoelen al voor u versierd. Fijn dat u met dit weer toch nog bent gekomen. U moet wel vreselijk koud zijn na de lange tocht door het bos”. “Ja vrouw van Dijk”, “het is me het weertje wel hoor”, zei de Sint terwijl hij plaatsnam op de versierde stoel naast de kachel. “Ik heb gehoord dat we ook nog sneeuw krijgen”, bromde Sint, “dat wordt levensgevaarlijk hoor Piet op het dak.” “Hoi”, riepen de meisjes, “sneeuw Sinterklaas wat mooi.” “Wat hoor ik Sinterklaas”, zei vader die net de kamer weer binnenkwam, “sneeuw?”

“Ja van Dijk, ik hoorde vanavond al een paar keer dat het zal gaan sneeuwen”, zei Sinterklaas. “Nou meisjes, kom nu maar eens even bij me en zing voor mij maar eens een mooi Sinterklaasliedje, dat kunnen jullie vast wel.”

Een beetje schuchter liepen Mariska en Natasja naar Sinterklaas die hun vriendelijk toeknikte. Hij nam hun handjes in de zijne toen hun heldere kinderstemmen de kamer vulden met het liedje:

Sinterklaas die goede heer,

Komt hier alle jaren weer

Uit het land van Spanje,

Dan brengt hij ons lekkere koek

Speelgoed en een prentenboek,

Appeltjes van Oranje.

Sinterklaas genoot, “nou Piet, hebben de kinderen dat niet mooi gezongen? Kijk eens in de zak of je nog wat pepernoten hebt, en oh ja, geef mij ondertussen het grote boek even aan dan zal ik kijken of je van de meisjes nog wat hebt opgeschreven. Zijn jullie erg stout geweest kinderen? Wat lees ik hier, Piet heeft voor u ook nog wat opgeschreven Van Dijk”, hm, zei Sinterklaas, “daar kom ik straks nog op terug.” Vader schoof onrustig op zijn stoel heen en weer, wat zou dat kunnen zijn wat Sinterklaas voor hem had opgeschreven? Vader keek moeder eens aan die het ook niet begreep. De Sint bladerde verder in het grote boek en las dat de meisjes erg lief waren geweest het afgelopen jaar. Ze deden hun best op school, en hielpen moeder thuis met allerlei karweitjes. Sinterklaas knikte goedkeurend. “Nou Piet, kijk nu maar eens wat je voor de kinderen hebt ingepakt, want ze hebben een cadeautje nu wel verdiend hoor.” Zwarte Piet rommelde in de grote zak met cadeautjes en las de namen die hij op de pakjes had geschreven. Eindelijk vond hij wat hij zocht en gaf Sinterklaas vier pakjes, voor ieder meisje waren er twee cadeautjes. “Oh, dank u wel hoor Sinterklaas, dank u wel”, stamelden ze verlegen toen ze de pakjes van Sinterklaas hadden gekregen. De goede Sint glimlachte toen Natasja naar moeder liep die haar hielp de pakjes uit te pakken, terwijl Mariska hierbij door vader werd geholpen. Wat hadden ze fijne cadeautjes gekregen, ze werden er stil van.

Mariska kreeg een hele mooie pop, ze sloeg haar handje voor de mond van blijdschap toen ze samen met vader het papier had verwijderd en zag wat eruit te voorschijn kwam. Uit het andere pakje kwamen allemaal kleertjes voor de pop en toiletartikelen. Natasja slaakte zowaar een gilletje van plezier toen uit het ene pakje een fornuisje te voorschijn kwam compleet met pannetjes. Tot haar grote verrassing was het andere cadeautje een porseleinen serviesje die ze altijd al zo graag wilde hebben. Ze keek vol bewondering naar Sinterklaas, hoe wist hij dat toch allemaal, wat een knappe man was hij toch omdat hij ieder jaar van elk kindje wist wat ze graag wilden hebben.

“Ik vind”, zei vader, “dat jullie nog wel een liedje mogen zingen voor Sinterklaas en Zwarte Piet voor al dat moois wat jullie hebben gekregen. Ze overlegden samen wat ze zouden gaan zingen, ze kozen voor Sinterklaas kapoentje. Moeder schonk nog een chocolademelk in, ook Sinterklaas en Zwarte Piet genoten er van, al dronk Sinterklaas het met een rietje, want, zei Sinterklaas tegen de kinderen, ik klieder nog wel eens zo af en toe en dan zit mijn witte baard onder de vlekken en dat is niet zo leuk. “Kijk nog maar eens in de zak Piet, want er moeten ook nog chocoladeletters in zitten, ook voor vader en moeder heb ik er één meegebracht. Ondertussen hadden Natasja en Mariska hun mooie tekeningen aan Sinterklaas gegeven die daar heel erg blij mee was.

“Geef mij het grote boek nog eens aan Piet, want de tekeningen mogen niet gekreukt worden want je moet ze ophangen in mijn paleis als we terug zijn in Spanje. Heb je dat duidelijk begrepen Piet?” “Natuurlijk Sinterklaas, ik hang ze in uw aller- mooiste kamer”, stamelde Piet verlegen. “Mooi zo”, bromde Sinterklaas. Weer bladerde de Sint in het grote boek, het duurde even voor hij had gevonden wat hij zocht. “Van Dijk”, zei Sinterklaas, en hij richtte zich tot vader, “Van Dijk, ik lees hier dat u een paar maanden geleden noodgedwongen bent ontslagen omdat de timmerman waar u werkte met pensioen is gegaan. Klopt dat?”

“Ja hoor Sinterklaas”, zei vader, “zo was het precies.” Vader had een kleur gekregen van spanning en knikte. “Van Dijk”, zei Sinterklaas weer, “gisteren was ik in het naburig dorp en ik werd toen aangeklampt door de plaatselijke timmerman die dringend een nieuwe timmerman zocht omdat zijn huidige knecht met pensioen is gegaan. “Sinterklaas”, zei de timmerman gisteren, “u komt overal, wilt u eens uitkijken of u een goede timmerman kunt vinden die hier wil komen werken? Ik zit heel dringend om iemand verlegen en als u iemand vindt, stuur hem dan zo gauw mogelijk hier naar toe. Ik heb aan u gedacht Van Dijk, want iedereen is over u tevreden en zegt dat u een hele goede timmerman bent. Gaat u morgen maar naar het dorp en zegt u maar dat ik u gestuurd heb, want ik ben ervan overtuigd dat u direct bij hem aan de slag kunt.”

Vader had met stijgende verbazing geluisterd wat Sinterklaas allemaal had verteld. Hij keek naar moeder en zag dat er tranen blonken in haar ogen. Wat een grote verrassing toch, vader kon weer aan het werk, en dat zo vlak voor de kerst nog wel. Jeetje, wie had dat gedacht. “Dank u wel Sinterklaas dat u aan mij gedacht heeft”, stamelde vader verlegen. “Wat fijn, wat ben ik hier blij om.” “Ik zie dat ik u een fijne boodschap heb gebracht Van Dijk, en wens u alvast heel veel plezier bij u nieuwe baan. Maar, eh, wilt u het paard voor mij weer uit de schuur halen want het is nu de hoogste tijd om op te stappen.

Vader stond op en opende de deur. De wind was nog steeds niet afgenomen en huilde door het bos. Maar wat was dat? Vader wist niet wat hij zag, het sneeuwde, grote witte vlokken werden voortgedreven door de wind die in zijn gezicht werden gesmeten. “Het sneeuwt Sinterklaas, riep vader, er ligt al een paar centimeter.” “Dacht ik het niet”, zei Sinterklaas, ook dat nog. Dat maakt het er niet gemakkelijker op Piet. Vannacht maar niet het dak meer op, dat is veel te gevaarlijk.” Vader en moeder, Mariska en Natasja, namen afscheid van Sinterklaas en Zwarte Piet die nog een heel eind moesten rijden door het bos. De goede Sint klom in het zadel, daarbij weer geholpen door Zwarte Piet en de witte schimmel zette zich in beweging. Ze zwaaiden hun na tot Sint en Piet uit het gezicht waren verdwenen en ze werden opgeslokt door het grote donkere bos.

Toen even later de beide meisjes in bed lagen en vader en moeder nog even kwamen kijken, keken ze neer op hun twee slapende kinderen die tevreden en gelukkig in hun warme bedjes lagen te slapen. Vader drukte moeder tegen zich aan, “wat een heerlijke avond he moeder”, fluisterde hij zachtjes aan haar oor. “We zijn gezegend met twee schattige kinderen en de allerbeste Sint zorgde er voor dat ik weer werk heb gekregen. Kom, laten we dat gaan vieren, heb je nog chocolademelk?” “Ik maak wel nieuwe”, fluisterde ze zachtjes. Ze trok de dekentjes recht en met de armen om elkaar heen geslagen verlieten ze zachtjes en vol geluk de kinderkamer.



-advertenties-

NIJM Webdesign Stadskanaal